Mensen vragen me weleens hoe ik aan mijn onderwerpen kom. Het eerlijke antwoord is: meestal liggen ze er al. Je moet alleen langer blijven kijken.
Neem het communicatiesysteem C2000 van de politie. Dat het haperde, was geen geheim. Er was al over geschreven. Toch werd mijn verhaal erover het coverartikel van Panorama. Waarom ik zulke verhalen per se wil maken, schreef ik eerder al. Nu wil ik laten zien hoe ik ze vind.
Anderen schreven op dat het systeem haperde. Ik wilde weten wat dat betekende voor de agent op straat. Dus ging ik op zoek naar agenten die me wilden vertellen over hun problemen. Een paar van hen hielden een soort dagboek voor me bij. Daarin schreven ze op wat ze meemaakten. Zo kreeg ik geen algemene klacht, maar echte momenten uit hun werk. Gelukkig vroegen ze ook bij collega's na. Daardoor werd het verhaal groter dan ik in mijn eentje had kunnen maken.
Bij steekincidenten ging het net zo. Er verschenen steeds losse berichten. Hier een steekpartij, daar een. Ik ben ze bij elkaar gaan optellen. Pas toen zag je hoe vaak het gebeurde. Het zijn berichten die ik zie, bijvoorbeeld een vrouw die vermist werd sinds dezelfde datum als mijn trouwdag, dat bleef me bij. Ook dat leverde een voorpaginaverhaal op.
Je hoeft geen misdaadjournalist te zijn om zo te werken. Het begint met een paar vragen bij een onderwerp dat al bekend is. Wat betekent dit voor de mensen die er elke dag mee te maken hebben? Is dit een los voorval, of gebeurt het vaker? Wie weet er meer, maar is nog nooit gevraagd? En wie kan voor jou bij anderen navragen?
Het kost wel tijd. Je bent lang aan het zoeken voordat je iets hebt. En je loopt steeds het risico dat mensen nee zeggen. Als je blijft doorvragen, maak je bovendien niet overal vrienden. Het kan goed dat ik sindsdien bij het ministerie bekendsta als die vervelende journalist. Dat is dan jammer, maar het hoort bij wat een journalist doet, namelijk het controleren van de macht.
Het verhaal lag er al. Ik bleef alleen wat langer kijken.